X BV is gevestigd in een bedrijfspand dat onderdeel uitmaakt van een aaneengesloten complex. Boven de erker bij de ingang staat in grote letters tweemaal de bedrijfsnaam vermeld. De heffingsambtenaar legt ter zake daarvan een aanslag reclamebelasting 2024 op van € 85, waartegen X BV bezwaar maakt. De heffingsambtenaar maakt een uitspraak op bezwaar aan met dagtekening 27 september 2024, maar X BV ontvangt deze niet. X BV schrijft de heffingsambtenaar hierna herhaaldelijk aan zonder reactie te ontvangen. Ook stelt X BV de heffingsambtenaar in gebreke wegens het niet doen van uitspraak op bezwaar. In geschil is of het beroep ontvankelijk is en of de vermelding van de bedrijfsnaam op het bedrijfspand een openbare aankondiging is waarvoor terecht reclamebelasting is geheven.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat de heffingsambtenaar niet aannemelijk maakt dat de uitspraak op bezwaar ooit naar X BV is verzonden, zodat de termijnoverschrijding X BV niet is te wijten. Inhoudelijk oordeelt de rechtbank dat de vermelding van de bedrijfsnaam in grote letters bijdraagt aan de naamsbekendheid en een openbare aankondiging vormt in de zin van art. 227 Gemw, de Verordening reclamebelasting en de jurisprudentie van de Hoge Raad. Dat de vermelding niet verwijst naar een activiteit, product of dienst maakt dit niet anders. De vermeldingen vallen niet onder een vrijstelling uit de Verordening. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Belastingen van lagere overheden, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 6 november
Informatiesoort: VN Vandaag