Rechtbank Gelderland oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat een lager gebruikelijk loon dan het in bezwaar vastgestelde bedrag op zijn plaats is. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

X is sinds 2016 enig bestuurder en aandeelhouder van X BV, die tweedehandskleding verkoopt. X doet aangifte IB/PVV 2020 naar een inkomen uit werk en woning van € 19.660 zonder inkomsten uit X BV aan te geven. De inspecteur legt een aanslag op en verhoogt het inkomen met € 46.000 aan gebruikelijk loon op grond van art. 12a Wet LB. X maakt bezwaar. De inspecteur verlaagt het gebruikelijk loon naar € 36.925, waardoor het belastbaar inkomen uitkomt op € 56.585. X stelt beroep in tegen deze uitspraak op bezwaar.

In geschil is of het gebruikelijk loon van X verder verlaagd moet worden dan het in bezwaar vastgestelde bedrag.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat X onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat met een lager gebruikelijk loon kan worden volstaan. Het beroep op mantelzorg speelt in 2020 geen rol nu de partner in 2018 is overleden, en de zorg voor haar zoon heeft X niet onderbouwd naar aard en omvang. De opstartfase van X BV leidt niet tot een lager loon, nu de BV al sinds 2016 actief is en in 2020 een omzet van € 84.635 heeft behaald. Uit de aangiften en financiële gegevens blijkt niet dat X BV structureel verliesgevend is. Het beroep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 12A

Instantie: Rechtbank Gelderland

Rubriek: Loonbelasting

Editie: 6 november

Informatiesoort: VN Vandaag

8

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen