Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat het verzet gegrond is. X is pas op 5 juni 2023 bekend geworden met de naheffingsaanslag, zodat het op 20 juni 2023 door de inspecteur ontvangen bezwaar binnen de gestelde termijn van zes weken is ingediend.

De inspecteur legt met dagtekening 13 april 2023 een BPM-naheffingsaanslag op aan X. De inspecteur ontvangt het bezwaar tegen deze naheffingsaanslag op 20 juni 2023. Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig is ingediend. Het verzet van X wordt vervolgens ongegrond verklaard. X gaat in cassatie. De Hoge Raad oordeelt dat op de inspecteur de last rust om aannemelijk te maken aan welk postvervoerbedrijf hij het aanslagbiljet heeft aangeboden en wanneer. X betwist namelijk dat het aanslagbiljet voor of op de datum van dagtekening ter post is bezorgd. Omdat de inspecteur in de beroepsprocedure heeft aangegeven dat hij geen registratie bijhoudt van de verzending, moet ervan worden uitgegaan dat de naheffingsaanslag niet voor of op 13 april 2023 is bekendgemaakt. De Hoge Raad verwijst de zaak naar de Rechtbank Zeeland-West-Brabant ter verdere behandeling van het verzet.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat het verzet gegrond is. X is pas op 5 juni 2023 bekend geworden met de naheffingsaanslag, zodat het op 20 juni 2023 door de inspecteur ontvangen bezwaar binnen de gestelde termijn van zes weken is ingediend. De rechtbank kent een proceskostenvergoeding van € 23,35 toe en hervat het onderzoek in de stand waarin dat zich bevond voordat de buiten-zittinguitspraak werd gedaan.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 3.41

Algemene wet bestuursrecht artikel 6.9

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 6 november

Informatiesoort: VN Vandaag

13

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen