Afgelopen voorjaar heeft de Staatssecretaris van Financiën met toepassing van de hardheidsclausule kwijtschelding verleend van overdrachtsbelasting over de verkrijging van de economische eigendom van een bouwterrein (zie V-N 2026/23.14). Deze verkrijging werd enkele maanden later gevolgd door de juridische levering, die aan BTW was onderworpen. Volgens de staatssecretaris was de samenloopvrijstelling niet van toepassing op ‘de econoom’, omdat op het tijdstip van de verkrijging geen sprake was van samenloop van overdrachtsbelasting en BTW.
Het is kwestieus om ervan uit te gaan dat de samenloopvrijstelling uitsluitend toepassing vindt wanneer de BTW‑ levering en de verkrijging van de onroerende zaak gelijktijdig plaatsvinden. De wet spreekt immers van een verkrijging krachtens een levering en niet van een verkrijging gelijktijdig met een levering. Het begrip krachtens veronderstelt een verband tussen beide belastbare feiten, maar niet zonder meer dat zij zich op hetzelfde moment moeten voordoen. De vraag is dan ook of een verkrijging die voorafgaat aan de BTW‑ levering of daarop volgt, ondanks het evidente verband tussen beide feiten, wetstechnisch van de samenloopvrijstelling moet worden uitgesloten.
Dat levering en verkrijging niet noodzakelijkerwijs op hetzelfde moment plaatsvinden is niet nieuw. Al sinds de inwerkingtreding van de Wet BRV 1970 lopen beide belastbare feiten niet per se synchroon in de tijd. Tot 1995 vond de verkrijging per definitie plaats bij het opmaken van de transportakte, terwijl de BTW‑ levering (art. 3 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968) pas tot stand kwam op het moment dat de verkrijger als eigenaar over het goed kon beschikken. Op het moment van de verkrijging voor de overdrachtsbelasting was er dus nog niet per se een BTW‑ levering. Bij huurkoop (art. 3 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968) is het zelfs andersom: de BTW‑ levering gaat aan de verkrijging vooraf. Ook dat staat toepassing van de samenloopvrijstelling niet in de weg.
Hetzelfde kan zich voordoen bij de oplevering van een gebouw (art. 3 lid 1 onderdeel c Wet OB 1968). Wanneer een bouwkavel wordt overgedragen en daarop vervolgens een opstal wordt gerealiseerd, kan voor de BTW sprake zijn van één prestatie: de oplevering van een gebouw met ondergrond. De verkrijging voor de overdrachtsbelasting heeft dan al eerder plaatsgevonden.
Ook de wetsgeschiedenis van de samenloopvrijstelling wijst niet in de richting van een gelijktijdigheidsvereiste. De samenloopvrijstelling is ontleend aan de vrijstelling van art. 101 lid 1 onderdeel a Registratiewet 1917 en kent van oudsher twee doelen: cumulatie van omzetbelasting en overdrachtsbelasting voorkomen en het verschil tussen bouw voor de verkoop en bouw krachtens aanneming wegnemen.
Sindsdien zijn, mede onder invloed van de Europese omzetbelastingregels, de begrippen verkrijging en levering en de daarmee samenhangende heffingsobjecten (onroerende zaken vs. onroerende goederen) uit elkaar gaan lopen. Neem daarbij ook de uitbreiding – in 1995– van het verkrijgingsbegrip met economische eigendom. Tegen die achtergrond speelt nu dus de vraag of in de samenloopvrijstelling ook een spiegelbeeld‑ of gelijktijdigheidsvereiste moet worden gelezen. Deze spiegelbeeldeis in V-N 2026/23.14 ondergraaft naar mijn mening doel en strekking van de vrijstelling, terwijl het verband tussen de verkrijging en de BTW‑ levering evident kan zijn.
Informatiesoort: Uitvergroot