De Hoge Raad oordeelt dat de diverse klachten in een BPM-zaak niet tot cassatie kunnen leiden en dat dit niet gemotiveerd hoeft te worden. Er is onder verwijzing naar eerdere arresten evenmin aanleiding om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU te stellen.

X BV doet BPM-aangiften voor drie uit een andere EU-lidstaat afkomstige personenauto’s. Na bezwaar verleent de inspecteur teruggaven, omdat de registratie van de auto's later plaatsvindt dan binnen vijf werkdagen na de aangiften. Volgens Den Haag heeft X BV desondanks geen recht op een bezwaarkostenvergoeding. Het gegrond verklaren van de bezwaren vindt namelijk niet zijn grondslag in een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid. X BV gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat de diverse klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat dit niet gemotiveerd hoeft te worden (zie art. 81 lid 1 Wet RO). Er is onder verwijzing naar eerdere arresten evenmin aanleiding om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU te stellen over opgeworpen geschilpunten als de bezwaarkostenvergoeding, de vergoeding van immateriële schade, de waardevermindering wegens een huurverleden en de toepassing van art. 20 AWR (zie o.a. HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244, V-N 2026/32.23, HR 18 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1415, V-N 2026/40.23, HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331,V-N 2020/12.17 en HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, V-N 2026/28.15). Het beroep in cassatie is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 7.15

Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 artikel 10

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Belastingheffing van motorrijtuigen, Europees belastingrecht

Editie: 5 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

3

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen