A.F.M.J. Verhoeven van Hefna BV stelt op 22 juli 2024 namens X pro forma hoger beroep in tegen een uitspraak in een BPM-zaak. Hierbij is een machtiging gevoegd die op 18 juni 2021 door X is ondertekend. Het hof stelt Hefna BV in de gelegenheid om het beroep binnen vier weken te motiveren en een recente – niet ouder dan drie maanden vanaf het moment van indiening van het hoger beroep zijnde – machtiging te overleggen. Zowel de motivering als de recente machtiging zijn te laat overgelegd, zodat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Het latere verzet is ongegrond verklaard. X gaat in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat van degene die stelt op te treden namens iemand aan wie volgens de wet het recht op beroep toekomt, in redelijkheid mag worden verlangd dat hij zich inspant om te bewijzen dat hij werkelijk bevoegd is om namens die ander het beroep in te stellen. Het zal in de regel voor degene die beroepsmatig rechtsbijstand verleent niet onmogelijk of uiterst moeilijk zijn om binnen een redelijke termijn dat bewijs door middel van een recente schriftelijke machtiging te leveren. Het EU-recht brengt niet mee dat de rechter deze termijn moet verlengen of dat de rechter een na afloop van deze termijn overgelegde machtiging moet accepteren. Het hoger beroep is terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 26A
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.6
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.24
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 5 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag