X is in 2020 gehuwd met haar partner, een zelfstandig ondernemer die vanwege coronamaatregelen zijn werkzaamheden tijdelijk staakt. De partner vraagt een TOZO-uitkering aan en ontvangt deze van de gemeente Utrecht en de gemeente Stichtse Vecht. X doet aangifte IB/PVV 2020 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.832, zonder daarin TOZO-uitkeringen op te nemen. De inspecteur wijkt af van de aangifte en legt een aanslag op naar een belastbaar inkomen van € 17.031. Hij verhoogt het inkomen met € 4199, zijnde de aan X toegerekende helft van de TOZO-uitkeringen. In geschil is of de verstrekte TOZO-uitkeringen voor de helft behoren tot het belastbare inkomen van X.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de TOZO-uitkering haar grondslag vindt in de Participatiewet en dat het recht op bijstand gehuwden gezamenlijk toekomt. Het ontvangen van inkomen vormt geen uitsluitingsgrond op grond van art. 13 Participatiewet. Het begrip 'gezamenlijke huishouding' is niet relevant, omdat dit begrip uitsluitend dient om ongehuwden gelijk te stellen met gehuwden en X en haar partner gehuwd zijn. Dat de uitkering feitelijk op de rekening van de partner is uitbetaald, staat evenmin aan toerekening in de weg. De inspecteur verhoogt het belastbare inkomen van X terecht met de aan haar toegerekende helft van de TOZO-uitkering. X' beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.100
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.101
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 2 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag