De American Free Enterprise Chamber of Commerce uit Wyoming verzoekt in een procedure voor het Belgische Grondwettelijk Hof tot vernietiging van enkele artikelen van de Belgische Minimumbelasting. Op 17 juli 2025 stelt het Grondwettelijk Hof (104/2025, ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.104) een prejudiciële vraag in deze zaak. Op 12 mei 2026 beslist het Grondwettelijk Hof om de debatten te heropenen om de partijen te horen over hun standpunt inzake het verzoek om informatie van het Hof van Justitie van 17 april 2026 in de zaak van de AFECC (nr. C-519/25). Het Hof van Justitie vraagt wat de gevolgen voor de procedure zijn van de mededeling C/2026/253 van de Europese Commissie van 12 januari 2026. Volgens AFECC heeft de mededeling geen gevolgen voor de zaak. De Ministerraad is echter van mening dat het beroep tot vernietiging niet meer ontvankelijk is bij gebrek aan het rechtens vereiste belang. Volgens de Minsterraad zal de UTPR-bijheffing namelijk noch voor het verleden, noch voor de toekomst effectief van toepassing zijn op de in België gevestigde groepsentiteiten die deel uitmaken van Amerikaanse multinationale ondernemingen.
Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat mededeling C/2026/253 van de Europese Commissie van 12 januari 2026 geen invloed heeft op de zaak van de Amerikaanse KvK die bij het Hof van Justitie ligt. Volgens het Grondwettelijk Hof kunnen de bestreden bepalingen namelijk nog steeds de belangen raken van Amerikaanse ondernemingen, zodat zij haar belang behoudt bij de vernietiging van de bestreden bepalingen.
Wetingang: