De inspecteur legt X BV een naheffingsaanslag BPM op van € 6056, waartegen X BV bezwaar maakt. De inspecteur ontvangt het bezwaarschrift op 14 september 2022 en doet op 1 juni 2023 uitspraak op bezwaar, waarbij hij de naheffingsaanslag handhaaft. X BV stelt daarom beroep in. De rechtbank doet op 13 maart 2025 uitspraak en verklaart het beroep ongegrond. Zij kent X BV een immateriële schadevergoeding van € 500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden. De uitspraak verschijnt op 18 maart 2025 in het webportaal van de rechtspraak. X BV stelt vervolgens hoger beroep in en betoogt dat de periode tussen uitspraak en bekendmaking tot een extra half jaar aan termijnoverschrijding leidt. In geschil is of X BV daarom recht heeft op een hogere vergoeding van immateriële schade.
Hof Den Haag oordeelt dat de in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet en niet op het moment van bekendmaking via verzending per post of plaatsing in het webportaal. Daarbij baseert het hof zich op het overzichtsarrest (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140). Bekendmaking als eindpunt levert een onwerkbare situatie op, omdat de rechtbank bij het doen van uitspraak niet weet op welk moment de bekendmaking plaatsvindt. Het hoger beroep is daarom ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.79
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 2 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag