De buitenlandse beleggingsinstelling X verzoekt om teruggaaf van dividendbelasting voor de jaren 2019 - 2012 en beroept zich daarbij op het EU-recht. Zij stelt namelijk dat zij vergelijkbaar is met een fbi. De inspecteur wijst de verzoeken af.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting van de buitenlandse beleggingsinstelling X terecht heeft afgewezen. Volgens de rechtbank wordt het vrije verkeer van kapitaal niet belemmerd doordat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering. Zij zijn namelijk in Nederland niet inhoudingsplichtig. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 9 april 2021 (19/00104, ECLI:NL:HR:2021:506, V-N 2021/17.10) en haar eigen uitspraak van 10 maart 2022 (18/5825, ECLI:NL:RBZWB:2022:1258, V-N 2022/22.2.3). De rechtbank merkt verder nog op dat, zelfs als sprake zou zijn van een ongerechtvaardigde belemmering, dat dat X niet baat. Rechtsherstel vindt dan namelijk plaats met inachtneming van een vervangende betaling, die nooit lager is dan de tegemoetkoming.
Wetingang:
Wet op de dividendbelasting 1965 artikel 11A
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Dividendbelasting
Editie: 30 juli
Informatiesoort: VN Vandaag