Op de pensioendatum van X in 2010 bedraagt het opgebouwde pensioenkapitaal € 73.149. De pensioenaanspraak wordt op dat moment niet in de heffing betrokken. Met ingang van november 2022 koopt X met terugwerkende kracht een ouderdomspensioen aan bij een verzekeraar. Dit resulteert in een maandelijks brutopensioen van € 259,36 en een eenmalige nabetaling van € 37.089,91 over de periode vanaf 2010. De inspecteur legt een aanslag IB/PVV 2022 op naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 86.357. X maakt bezwaar; de inspecteur verklaart dit ongegrond.
In geschil is of de inspecteur de eenmalige nabetaling van het pensioen terecht in de heffing over 2022 heeft betrokken.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de nabetaling terecht in 2022 in de heffing valt. De stelling van X dat de uitkeringen al in 2010 vorderbaar en inbaar zijn, vindt geen steun in de feiten. Pas in 2022 stelt de verzekeraar vast dat X recht heeft op pensioenuitkeringen en bepaalt de omvang ervan. De pensioenaanspraak is eerder onbelast gebleven, zodat het wettelijke systeem van art. 10 lid 4 en art. 19b lid 1 Wet LB 1964 meebrengt dat de uitkeringen belast zijn. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.81
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.146
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 10
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 19B
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Loonbelasting
Editie: 30 juli
Informatiesoort: VN Vandaag