De Kennisgroep IBR VPB & winst oordeelt dat de objectvrijstelling van art. 15e Wet VPB 1969 van toepassing is op inkomsten uit vastgoed dat een Nederlandse vennootschap bezit op Noord-Cyprus.

Aanleiding vormt de vraag of vastgoed in het noordelijke deel van Cyprus, dat sinds 1983 feitelijk wordt bestuurd door de zelfverklaarde Turkse Republiek Noord-Cyprus, kan worden aangemerkt als gelegen in een ‘andere staat’ voor de toepassing van de objectvrijstelling.

Nederland heeft met Cyprus een belastingverdrag gesloten. In dat verdrag wordt onder ‘Cyprus’ het nationale grondgebied van de Republiek Cyprus verstaan. Daaronder valt ook het grondgebied van Noord-Cyprus. Hierdoor kwalificeert het vastgoed als een onroerende zaak die is gelegen in de andere verdragsluitende staat als bedoeld in art. 6 van het verdrag.

Omdat het verdrag van toepassing is, mogen de vastgoedinkomsten in Cyprus worden belast en verleent Nederland daarvoor vrijstelling overeenkomstig art. 15e lid 2 onderdeel a sub 2 Wet VPB 1969. Daarmee vallen de inkomsten onder de objectvrijstelling.

Wetingang:

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 15E

[Nieuwsbron]

Rubriek: Vennootschapsbelasting, Internationaal belastingrecht

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 16 september

Informatiesoort: VN Vandaag

13

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen