Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de pensioeninkomsten van het ABP als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking moeten worden aangemerkt, waarvoor geen recht op arbeidskorting geldt. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk, omdat het duidelijk niet kan slagen (art. 80a lid 1 Wet RO).

X ontvangt in 2021 van Stichting Pensioenfonds ABP een pensioenuitkering van € 41.921 en een AOW-uitkering van € 11.245. In zijn aangifte IB/PVV 2021 vermeldt X het ABP-pensioen als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, waarna een voorlopige aanslag wordt opgelegd met een arbeidskorting van € 1983 en een teruggaaf van € 921. Bij de definitieve aanslag merkt de inspecteur het pensioen aan als inkomen uit vroegere arbeid, laat hij de arbeidskorting achterwege en berekent hij belastingrente. X gaat in (hoger) beroep.

Hof ’s-Hertogenbosch (V-N 2026/20.1.1) oordeelt dat de pensioeninkomsten van het ABP als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking moeten worden aangemerkt, waarvoor geen recht op arbeidskorting geldt. De rechtbank heeft terecht verwezen naar de IB/PVV-procedure van X over het jaar 2016, waarin identieke geschilpunten aan de orde waren, en voor de motivering naar de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch 14 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1569, V-N 2020/40.1.2, en HR 26 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:291, V-N 2021/15.21.2. X’ hoger beroep is ongegrond. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk, omdat het duidelijk niet kan slagen (art. 80a lid 1 Wet RO).

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 8.1

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 8.11

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 16 september

Informatiesoort: VN Vandaag

6

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen