X raakt in 1960 arbeidsongeschikt als gevolg van een ongeval tijdens het vervullen van de militaire dienstplicht. Hij ontvangt sindsdien een levenslang militair invaliditeitspensioen (MIP) en een bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV), die door het ABP maandelijks wordt uitbetaald. De BIV strekt tot vergoeding van immateriële schade. De inspecteur rekent de BIV tot het belastbaar inkomen uit werk en woning. X maakt bezwaar tegen de aanslagen IB/PVV 2022 en 2023. Rechtbank Den Haag verklaart de beroepen ongegrond. X stelt hoger beroep in.
Hof Den Haag oordeelt dat de BIV-uitkeringen voldoen aan de vereisten van art. 3.101 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001, omdat zij op grond van publiekrechtelijke regelingen zijn toegekend, in maandelijkse termijnen worden uitgekeerd en bij overlijden eindigen. De omstandigheid dat de uitkeringen strekken tot vergoeding van immateriële schade leidt niet tot een ander oordeel, nu de wetgever geen aanleiding ziet dergelijke periodieke uitkeringen van het inkomen uit te zonderen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel verwerpt het hof, omdat een eenmalige vergoeding van immateriële schade op relevante onderdelen verschilt van een periodieke uitkering die afhankelijk van het leven wordt uitgekeerd. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.101
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Sociale zekerheid algemeen, Inkomstenbelasting
Editie: 15 september
Informatiesoort: VN Vandaag