Na een boekenonderzoek bij X BV naar de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken april 2018 tot en met december 2019 legt de inspecteur naheffingsaanslagen op. De inspecteur constateert dat een deel van de geclaimde voorbelasting niet met facturen is onderbouwd en dat voor bepaalde facturen onduidelijk is of deze betrekking hebben op zakelijke kosten van X BV dan wel privékosten van haar dga. Voor specifieke facturen betwist de inspecteur gemotiveerd dat X BV de afnemer van de gefactureerde diensten is. Bij uitspraken op bezwaar vermindert de inspecteur de naheffingsaanslag 2018 tot € 2494 en de naheffingsaanslag 2019 tot € 22.555, nadat X BV aanvullende informatie overlegt. In geschil is of de inspecteur de door X BV in aftrek gebrachte voorbelasting over de naheffingsaanslagen omzetbelasting 2018 en 2019 terecht naheft.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat op X BV de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat zij terecht voorbelasting in aftrek brengt. De inspecteur zaait dusdanige twijfel over de vraag of aan de facturen daadwerkelijk economische prestaties ten grondslag liggen die aan X BV zijn verricht, dat van X BV nader bewijs mag worden gevraagd. X BV maakt in de beroepsfase niet concreet welke bedragen op welke facturen betrekking hebben op aan haar verrichte prestaties en legt voor een deel van de boekingen geen facturen over. De rechtbank oordeelt dat X BV niet aan haar bewijslast voldoet en dat de inspecteur de aftrek van voorbelasting terecht weigert.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 15
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Omzetbelasting
Editie: 15 september
Informatiesoort: VN Vandaag