Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat het belang van een voortvarende procesgang zwaarder weegt dan het belang van X om persoonlijk aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

X heeft een aanslag IB/PVV 2016 ontvangen, waarbij de inspecteur afwijkt van de aangifte van X door de giftenaftrek en het negatieve loon te corrigeren. X stelt dat zij ten onrechte genoten uitkeringen aan het UWV heeft terugbetaald en dat de giftenaftrek terecht is. X gaat in bezwaar en (hoger) beroep. In beroep vraagt X om uitstel van de mondelinge behandeling. De rechtbank wijst het verzoek van X af en verklaart het beroep ongegrond. In hoger beroep heeft X meerdere malen om uitstel van de mondelinge behandeling verzocht vanwege ziekte, wat uiteindelijk door het hof is afgewezen. X heeft geen bewijs geleverd voor de terugbetaling aan het UWV.

Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N 2025/10.1.5) oordeelt dat de rechtbank terecht geen nader uitstel heeft verleend voor de mondelinge behandeling, omdat het belang van een voortvarende procesgang zwaarder weegt dan het belang van X om aanwezig te zijn. X heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in 2016 een bedrag van € 1200 aan het UWV heeft terugbetaald. De inspecteur heeft terecht informatie bij het UWV ingewonnen en de belastingrente is correct berekend. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.80

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.81

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 10

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2.3

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30FC

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Loonbelasting

Editie: 15 september

Informatiesoort: VN Vandaag

8

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen