Tijdens het staartje van een – op BTW-gebied – rustige zomer struinde ik heerlijk over de camping.
Met mijn gedachten op nul, stuitte ik tijdens deze wandeling op de volgende tegeltjeswijsheid: “Camping. Waar je een vermogen uitgeeft om te leven als een zwerver.” Opeens herinnerde ik me weer de brief van 21 april 2026 betreffende ‘Acties Weerbaarheid Energieschok’ en het bijbehorende overzicht met dekkingsopties. Het afschaffen van het verlaagde BTW-tarief op kampeergelegenheid per 2028 is namelijk één van de fiscale mogelijkheden om budgettaire dekking te creëren voor dempende maatregelen tegen de economische gevolgen van de situatie in het Midden-Oosten.
Plotsklaps stond ik weer met beide benen op de (camping)grond, want met het verstrijken van de zomer realiseerde ik mij dat Prinsjesdag met rasse schreden dichterbij kwam. Daarbij drong zich meteen de gedachte op dat het afschaffen van het lage tarief op kampeergelegenheid wel eens een realistische mogelijkheid zou kunnen zijn voor het huidige kabinet. Naast dat het budgettair wat oplevert, past het afschaffen van het verlaagde tarief namelijk ook binnen het streven om het belastingstelsel te vereenvoudigen en doelmatiger te maken. En daarmee mogelijk ook fiscaal neutraler…
Op het punt van de fiscale neutraliteit viel er naar mijn mening namelijk wel wat af te dingen op de argumentatie bij het Belastingplan 2025 voor het onderscheid in het BTW-tarief tussen logies (21% per 1 januari 2026) en kampeergelegenheid. Als verschillen tussen logies en kamperen werden daarbij onder andere genoemd: i) het algemeen veel hogere serviceniveau van hotels ten opzichte van campings, ii) het verschil in focus op binnenruimte versus buitenleven, iii) het feit dat bij een camping alleen de staanplaats wordt verhuurd en logies ook de verhuur van accommodatie zelf omvat en iv) het verschil in prijs. Uit Kamerstukken II 2024/25, 36602, nr. 26, p. 108 volgt dat eigenlijk alleen het derde argument voldoende juridisch steekhoudend is voor dit onderscheid en de gekozen afbakening.
Terug naar de tegeltjeswijsheid. Waar kamperen door sommigen blijkbaar als een vorm van rijkdom wordt gezien, dringt de vraag zich op of er in de verhouding tot logies niet gewoon sprake is van soortgelijke diensten die met elkaar concurreren en dezelfde BTW-behandeling moeten krijgen. Of iets soortgelijk is, moet worden beoordeeld vanuit het oogpunt van de gemiddelde consument. Uit het arrest-Phantasialand volgt dat diensten soortgelijk zijn wanneer zij overeenkomstige eigenschappen vertonen én aan dezelfde behoefte van de consument voldoen. Vanuit dat laatste perspectief zie ik persoonlijk weinig verschil tussen kamperen en logies. Als gemene deler geldt dat de gemiddelde consument graag vakantie wil vieren en ergens wil kunnen slapen. Op het punt van de overeenkomstige eigenschappen valt hier en daar uiteraard nog wel wat af te dingen, maar ‘glamping’ schijnt hier een goede brug tussen te kunnen slaan.
Bij de invoering van het verlaagde tarief voor logies en kamperen is destijds als reden aangevoerd: de oneerlijke (internationale) concurrentieverhouding in verband met klimatologische omstandigheden (Kamerstukken II 2024/25, 36602, nr. 26, p. 105). Nu de klimatologische wereld op zijn kop staat en Spanje tegenwoordig veel te heet is, gaat dat hele argument niet meer op. Opgelost!
Informatiesoort: Uitvergroot
Rubriek: Omzetbelasting