X BV maakt onderdeel uit van een internationaal concern en heeft kredietfaciliteiten opgenomen bij haar Luxemburgse moeder, A s.a.r.l. Voor deze kredietfaciliteiten is X BV zowel rente als ‘commitment fees’ verschuldigd. X BV brengt deze financieringskosten ten laste van haar fiscale winst. De inspecteur acht de vergoedingen onzakelijk hoog en legt aanzienlijke (navorderings)aanslagen op. Rechtbank Den Haag vernietigt een groot deel van de correcties, waarna zowel de inspecteur als X BV hoger beroep instellen. In een tussenuitspraak oordeelt Hof Den Haag dat bij de beoordeling van de zakelijkheid van de vergoedingen de totale-kostenbenadering mag worden toegepast. Het hof heropent het onderzoek en stelt de inspecteur in de gelegenheid aanvullend bewijs te leveren aan de hand van de credit ratings van de schuldenaar.
Hof Den Haag oordeelt dat de transferpricingdocumentatie ernstige gebreken vertoont en dat X BV zich bewust had moeten zijn van de onzakelijkheid van de gehanteerde vergoedingen. Het hof onderzoekt de faciliteiten vervolgens uitgebreid en concludeert dat de kredietfaciliteiten op zichzelf beschouwd niet onzakelijk zijn, maar dat een belangrijk deel van de gehanteerde vergoedingen niet voldoet aan het arm's-lengthbeginsel. Daarbij moeten rente en commitment fees worden herleid tot één opslag op een variabele rente, die moet worden bepaald op het moment waarop de kredietfaciliteit wordt aangegaan (ex ante). De transferpricingcorrecties blijven grotendeels in stand.
Wetingang:
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8B
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27E
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27H
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Vennootschapsbelasting
Editie: 18 september
Informatiesoort: VN Vandaag