De ontvanger legt aan X een voorlopige aanslag IB/PVV 2023 op met als uiterste betaaldatum 28 februari 2023. X betaalt niet tijdig en verzoekt telefonisch om een betalingsregeling voor drie voorlopige aanslagen IB/PVV. De ontvanger verleent uitstel van betaling en wijst X er schriftelijk op dat bij betaling na de uiterste betaaldatum invorderingsrente verschuldigd is, ongeacht verleend uitstel. X betaalt vervolgens buiten de uiterste termijnen, wat leidt tot vijf beschikkingen invorderingsrente van in totaal € 195. X maakt bezwaar en stelt dat de ontvanger telefonisch heeft toegezegd dat bij nakoming van de betalingsregeling geen invorderingsrente in rekening zou komen. De ontvanger verklaart het bezwaar ongegrond.
In geschil is of de ontvanger het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door invorderingsrente in rekening te brengen ondanks een gestelde mondelinge toezegging.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat X niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ontvanger een toezegging heeft gedaan waaraan X het vertrouwen kon ontlenen dat geen invorderingsrente in rekening gebracht zou worden. De ontvanger betwist de gestelde toezegging gemotiveerd en het systeem bevat geen aantekeningen hierover. Bovendien heeft de ontvanger X er in zowel de betalingsherinnering als de beslissing op het uitstelverzoek op gewezen dat bij betaling na de uiterste betaaldatum invorderingsrente verschuldigd zou zijn, ongeacht verleend uitstel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet en het beroep is ongegrond.
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Invordering, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 17 september
Informatiesoort: VN Vandaag