Aan de kennisgroep is een casus voorgelegd waarin een rekeninghouder van een bancair lijfrenteproduct overlijdt voordat uitkeringen hebben plaatsgevonden. Het kind van de rekeninghouder is de gerechtigde tot het tegoed van deze lijfrenterekening. Op het moment van de eerste uitkering is het kind 29 jaar en elf maanden oud. Voor de uitkering wordt niet gekozen voor een looptijd van ten minste twintig jaar.
Een bancaire nabestaandenlijfrente moet in meerdere termijnen worden uitgekeerd. Kiest het kind niet voor een uitkeringsduur van ten minste twintig jaar, dan moeten de termijnen eindigen in het kalenderjaar waarin het kind de dertigjarige leeftijd bereikt. Als het kind op het moment van de eerste uitkering 29 jaar en elf maanden oud is en in dat kalenderjaar dertig wordt, mag de looptijd van een tijdelijke nabestaandenlijfrente minder dan één jaar bedragen. Wel moeten binnen het kalenderjaar minimaal twee termijnen aan het kind worden uitgekeerd.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.126A
Rubriek: Inkomstenbelasting
Regelgevende instantie: Belastingdienst
Editie: 17 september
Informatiesoort: VN Vandaag