X BV koopt in 2005 een rijksmonument, verbouwt dit naar een horecaruimte met bovenwoningen en exploiteert het via verhuur. In 2022 verkoopt en levert X BV het pand aan een derde. X BV doet aangifte VPB 2022 en brengt € 796.365 aan kosten ten laste van de winst. De inspecteur corrigeert deze kosten. Volgens X BV betreft het bedrag een prestatievergoeding aan Y BV en Z BV voor werkzaamheden rond de verbouwing, renovatie en verkoop van het pand, gebaseerd op mondelinge afspraken die in 2022 schriftelijk zijn vastgelegd. De inspecteur verklaart het bezwaar ongegrond.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat X BV niet aannemelijk maakt dat tegenover de betaling van € 700.000 een reële tegenprestatie staat. X BV onderbouwt de gestelde werkzaamheden en de overeengekomen vergoeding niet met objectieve en verifieerbare bewijsmiddelen uit de tijd dat de afspraken zouden zijn gemaakt. Het na de verkoop opgemaakte document bevat een urenstaat zonder objectieve onderbouwing. Dat de vergoedingen bij de ontvangende vennootschappen zijn belast, is niet bepalend voor de aftrekbaarheid bij X BV. De inspecteur corrigeert de kosten terecht en de rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Wetingang:
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Vennootschapsbelasting
Editie: 17 september
Informatiesoort: VN Vandaag