X ontvangt sinds zijn uitdiensttreding bij het EOB een pensioen wegens arbeidsongeschiktheid (RPHR). Daarnaast verricht X activiteiten in het buitenland op het gebied van keramiek en X handelt in aandelen en opties. Voor 2020 geeft X een negatief resultaat uit overige werkzaamheden van € 78.044 aan. Volgens X vormen zowel de keramiekactiviteiten als de beleggingsactiviteiten een bron van inkomen. Ook is X het niet eens met de verwerking van zijn EOB-pensioen op grond van het Besluit pensioenen internationale organisaties.
Hof Den Haag oordeelt dat de keramiekactiviteiten door het ontbreken van een objectieve voordeelsverwachting geen bron van inkomen vormen. Ook de handel in aandelen en opties leidt niet tot resultaat uit overige werkzaamheden, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de activiteiten normaal actief vermogensbeheer te boven gaan. Het hof bevestigt de toepassing van het Besluit pensioenen internationale organisaties. Op grond van het besluit (V-N 2022/40.5) is een derde van het EOB-pensioen niet belast in box 1. De rest is daar wel volledig in belast. De waarde in het economische verkeer van het in box 3 belaste deel is terecht bepaald met toepassing van art. 19 Uitv. besl. IB 2001. Het hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.94
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.27
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.90
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.19
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.23
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 artikel 19
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 17 september
Informatiesoort: VN Vandaag