X BV vormt een fiscale eenheid waartoe Y BV behoort. In 1997 wordt een fusieovereenkomst aangegaan over de samenvoeging van activiteiten van diverse ondernemingen, waarbij Y BV onder andere haar aandelen in Z BV inbrengt. De aandelen worden ingebracht in A BV tegen uitgifte van 51% van de aandelen in A BV. Vervolgens vinden nog diverse transacties plaats. Vanaf de VPB-aangiften 2008 wordt door de f.e. steeds een bedrag van € 33,4 mln opgenomen als opgeofferd bedrag voor de aandelen Z BV. Nadat Z BV in 2019 haar liquidatie voltooit, neemt X BV een liquidatieverlies van € 33,4 in aanmerking. Volgens de inspecteur bedraagt het liquidatieverlies echter slechts € 14,1 mln. In geschil is de hoogte van het liquidatieverlies. Daarbij is het met name de vraag of art. 13d lid 6 eerste volzin Wet VPB 1969 van toepassing is wanneer de verbondenheid gelijktijdig met de verkrijging van de deelneming ontstaat. Volgens X BV zijn Y BV en A BV bij de verkrijging van de aandelen Z BV namelijk geen verbonden lichamen.
Hof Amsterdam oordeelt dat doel en strekking van art. 13d lid 6 eerste volzin Wet VPB 1969 helder zijn: de bepaling beoogt te voorkomen dat het door het concern als geheel opgeofferde bedrag voor een deelneming door verhanging stijgt. Het maakt daarbij geen verschil of de verbondenheid al voor de verkrijging bestaat of gelijktijdig daarmee aanvangt. De deelneming in Z BV is derhalve door A BV verkregen van een verbonden lichaam. De bepaling is bovendien niet beperkt tot uitsluitend misbruikgevallen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, nu de correspondentie niet getuigt van een bewuste standpuntbepaling door de inspecteur en het handhavingsconvenant geen bijkomende omstandigheid vormt. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 13D
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 10a
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Vennootschapsbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 11 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag