Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X bij de bepaling van het werkelijk rendement de volledige heffingsgrondslag zonder aftrek van het heffingvrije vermogen in aanmerking moet nemen.

X en zijn echtgenote zijn fiscaal partners en dienen gezamenlijk aangifte IB/PVV 2023 in. Het inkomen uit sparen en beleggen rekenen zij volledig aan X toe. De gezamenlijke rendementsgrondslag bestaat volledig uit bank- en spaartegoeden van € 229.802. In 2023 ontvangen zij € 1575 aan spaarrente. De inspecteur stelt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vast op € 1065 (forfaitair rendement). X maakt bezwaar en stelt dat het inkomen uit sparen en beleggen € 793 bedraagt. Hij past een percentage toe op het werkelijk rendement waarin hij rekening houdt met het heffingvrije vermogen. De inspecteur verklaart het bezwaar ongegrond. In geschil is of het heffingvrije vermogen het werkelijk rendement vermindert.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X's berekeningswijze onjuist is. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, V-N 2024/29.3, neemt men bij de bepaling van het werkelijk rendement de volledige heffingsgrondslag zonder aftrek van het heffingvrije vermogen in aanmerking. Het beroep op het Kerstarrest baat X niet, omdat het werkelijk rendement van € 1575 hoger is dan het forfaitaire rendement van € 1065 dat de inspecteur bij de aanslag in aanmerking neemt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 14

Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 1

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.2

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 11 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

93

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen