X geeft in de aangifte IB/PVV 2019 € 8290 aan persoonsgebonden aftrek voor scholingsuitgaven aan. In de aangifte IB/PVV 2020 geeft X € 3224 aan persoonsgebonden aftrek en € 8290 aan restant uit 2019 aan. Een medewerker van de Belastingdienst bericht per e-mail dat de aanslag IB/PVV 2020 conform de aangifte wordt vastgesteld. De inspecteur legt de aanslag op en vermeldt € 8290 als te verrekenen persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren. De aanslag IB/PVV 2019 is op dat moment nog niet opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar stelt de inspecteur de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vast op € 3224 en kent een kostenvergoeding van € 312 toe met wegingsfactor 0,5. In geschil is of het vertrouwensbeginsel is geschonden, of de hoorplicht is geschonden en of de kostenvergoeding in bezwaar juist is vastgesteld.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, omdat de medewerker van de Belastingdienst niet expliciet heeft toegezegd dat de persoonsgebonden aftrek 2019 zou worden geaccepteerd en de aanslag IB/PVV 2019 ten tijde van het e-mailbericht nog niet was opgelegd. X kan daarom geen vertrouwen ontlenen aan de vermelding op de aanslag IB/PVV 2020. De rechtbank oordeelt overeenkomstig het standpunt van partijen dat de hoorplicht is geschonden en de kostenvergoeding in bezwaar te laag is vastgesteld. De rechtbank stelt de kostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 666.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 7.2
Algemene wet bestuursrecht artikel 7.15
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 11 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag