Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X het bezwaar tegen ingehouden loonheffingen over 2023 en 2024 te laat heeft ingediend en dat later verkregen inzichten uit Duitse belastingaangiften de termijnoverschrijding niet verschoonbaar maken.

X woont in Duitsland. De inhoudingsplichtige houdt loonheffingen in over de tijdvakken 2023 en 2024. De Belastingdienst ontvangt op 25 juli 2025 het bezwaarschrift van X tegen deze ingehouden loonheffingen, ruim buiten de loontijdvakken. X voert aan dat in Duitsland de belastingaangiften meerdere jaren achterlopen, waardoor hij niet over de benodigde informatie beschikt. Pas later raakt hij bekend met nieuwe inzichten in combinatie met de Duitse belastingaangiften. De inspecteur verklaart het bezwaar op 13 augustus 2025 niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. X stelt beroep in. In geschil is of het bezwaar tegen de ingehouden loonheffingen 2023 en 2024 tijdig is ingediend en zo niet, of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat het bezwaarschrift ruim buiten de loontijdvakken is ingediend en daarmee te laat is. De door X genoemde reden vormt geen verontschuldiging. X is in staat om binnen de wettelijke termijn bezwaar te maken, maar doet dat niet omdat hij daartoe toentertijd geen reden heeft. Een nadien opgekomen reden, zoals het verkrijgen van nieuwe inzichten, kan niet bewerkstelligen dat een niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 22 september

Informatiesoort: VN Vandaag

7

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen