X is enig bestuurder van zowel een coöperatieve vereniging met uitgesloten aansprakelijkheid (CV u.a.) als van een BV. De u.a. is enig aandeelhouder van de BV. De BV houdt zich bezig met het repareren van schoenen en lederwaren en het vervaardigen van hang- en sluitwerk. De inspecteur ontvangt in 2016 een klikbrief, waarin staat dat de elektronische kassa van de BV wordt gemanipuleerd. In het daaropvolgende boekenonderzoek wordt dit bevestigd. Volgens X was de zoon van een bevriende oud-schoenmaker op therapeutische basis werkzaam bij de BV. Eind 2018 bleek dat hij geld uit de kas had gestolen en extra kasafslagen maakte. In geschil zijn de IB-navorderingsaanslagen over 2018 en 2021, alsmede de vergrijpboeten van in totaal € 6165. Op de zitting sluiten partijen een compromis over 2021.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt conform het compromis dat het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang wordt verminderd tot € 5144 en dat de boete van dat jaar wordt vernietigd. Voor 2018 is niet de vereiste aangifte gedaan, zodat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. De schatting van de inspecteur is redelijk, omdat de correctie van het inkomen uit aanmerkelijk belang is gebaseerd op de Z2-afslagen van de kassa. Uit de afslagen volgt dat € 55.797 contante omzet is gerealiseerd en dat het verschil tussen de afslagen en de grand total € 36.799 is. Dit verschil is terecht belast als inkomen uit aanmerkelijk belang. X stelt vergeefs dat de contante omzet al was gecorrigeerd en dat de werknemer meer had gestolen dan de € 962 waarmee de inspecteur rekening heeft gehouden. De boete van € 4479 is passend en geboden. Met dien verstande dat deze wegens het overschrijden van de redelijke termijn wordt gematigd tot € 4031.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27E
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67E
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 26 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag