Rechtbank Den Haag oordeelt, in overeenstemming met de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad, dat de onderlinge verdeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen nog kon worden gewijzigd conform het verzoek van X en zijn fiscale partner.

X maakt bezwaar tegen de box 3-heffing van 2017. Het bezwaar is meegenomen in de massaalbezwaarprocedure. De Staatssecretaris van Financiën verklaart de bezwaren gegrond op basis van het Kerst-arrest (HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, BNB 2022/27, V-N 2022/2.3) en biedt rechtsherstel. Ten behoeve van het rechtsherstel is een nieuwe berekening gemaakt, die is gebaseerd op de oude verdeling van de box 3-grondslag tussen X en zijn fiscale partner. Zij dienen vervolgens een verzoek in om deze verdeling alsnog te wijzigen. De inspecteur wijst dit verzoek af. Rechtbank Den Haag stelt hierover prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Volgens de Hoge Raad (27 maart 2026, 25/02264, ECLI:NL:HR:2026:495, V-N 2026/15.4) kan de box 3-verdeling alsnog worden gewijzigd en wel tot zes weken nadat de individuele aanslag ter uitvoering van die collectieve uitspraak is verminderd.

Rechtbank Den Haag oordeelt, in overeenstemming met de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad, dat de onderlinge verdeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen nog kon worden gewijzigd conform het verzoek van X en zijn fiscale partner. De rechtbank volgt de verzochte verdeling, waarbij € 49.330 geacht wordt tot het bezit van X te behoren en de rest (€ 465.507) tot dat van de partner. Het beroep van X is gegrond. De inspecteur wordt opgedragen een griffierechtvergoeding van € 50 aan X te vergoeden.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Art. 2.17 lid 4 Wet IB 2001

Art. 25e lid 4 AWR

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting

Editie: 24 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

Dossiers: Box 3

23

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen