Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X geen recht heeft op aftrek van niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek uit eerdere jaren, omdat X geen onderneming meer drijft en de wet daarvoor geen basis biedt.

X doet aangifte IB/PVV 2022 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.008. Vervolgens dient X een herziene aangifte in waarin hij een restant persoonsgebonden aftrek van € 19.033 opvoert. Dit bedrag bestaat uit niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek uit 2016 (€ 7280), 2017 (€ 7210) en 2018 (€ 4543). X geniet sinds 2019 geen winst uit onderneming meer. De inspecteur accepteert de aftrek niet en legt de aanslag op conform de oorspronkelijke aangifte. X gaat in beroep. In geschil is of X recht heeft op aftrek van niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek uit eerdere jaren.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X geen onderneming meer drijft en daarom geen recht heeft op zelfstandigenaftrek. De zelfstandigenaftrek geldt op grond van artikel 3.76 Wet IB 2001 uitsluitend voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet. De inspecteur corrigeert het bedrag van € 19.033 terecht tot nihil. De wet biedt geen basis voor de door X geclaimde aftrekpost. Het beroep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Art. 3.76 Wet IB 2001

Art. 3.6 Wet IB 2001

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 24 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

4

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen