Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X BV niet aannemelijk maakt dat de uitvoer van het paard naar de Verenigde Staten plaatsvindt in verband met haar levering. Het nultarief is niet van toepassing.

X BV maakt deel uit van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. X BV verkoopt op 30 januari 2018 een paard aan een koper in de Verenigde Staten voor € 150.000 zonder BTW in rekening te brengen. De koper voldoet de volledige koopsom begin februari 2018. Het paard blijft in Nederland en neemt in februari en maart 2018 deel aan wedstrijden. In april 2018 raakt het paard geblesseerd en mag niet worden geëxporteerd. X BV reikt in juli 2018 een creditfactuur uit en maakt in augustus 2018 een nieuwe factuur op. Op 5 december 2018 verlaat het paard Nederland naar de Verenigde Staten. De inspecteur legt een naheffingsaanslag op van € 31.500. In geschil is of het nultarief van toepassing is op de levering van het paard en of de naheffingsaanslag omzetbelasting terecht is opgelegd.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X BV niet slaagt in de op haar rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat de uitvoer van het paard heeft plaatsgevonden in verband met haar levering. Het vereiste temporele verband tussen de levering en de uitvoer ontbreekt, nu tussen de levering in januari 2018 en de uitvoer in december 2018 meer dan 10 maanden verstrijken en het paard in februari en maart aan wedstrijden deelneemt. Het crediteren van de oorspronkelijke factuur en het opmaken van een nieuwe factuur maakt niet dat de verkoop op een later moment plaatsvindt. De verkoop vindt reeds in januari 2018 plaats, gelet op de betaling van de volledige koopsom begin februari 2018. Het nultarief is niet van toepassing en de naheffingsaanslag is terecht opgelegd.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Art. 7 lid 4

Art. 9 Wet OB 1968

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Omzetbelasting

Editie: 24 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

3

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen