Voor de kwalificatie als bouwterrein is het niet noodzakelijk dat het omgevingsplan reeds op het moment van levering bebouwing toestaat. Dat staat in een standpunt van de Kennisgroep omzetbelasting.

Wel moet worden nagegaan of op het moment van levering van de onbebouwde grond voldoende objectieve gegevens aanwezig zijn die er op wijzen dat het omgevingsplan zal worden gewijzigd en dat een omgevingsvergunning zal worden verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In casu is dat het geval.

In de casus verkoopt X percelen landbouwgrond in jaar 10 aan een projectontwikkelaar. De percelen maken onderdeel uit van de onderneming van X en zijn gelegen tegen de bestaande bebouwde kom. De gemeente heeft in jaar 1 een omgevingsvisie vastgesteld, waarin de percelen van X zijn opgenomen. In de loop van de jaren zijn steeds andere percelen die ook zijn opgenomen in de omgevingsvisie ontwikkeld tot woningbouwlocatie. De gemeente heeft voor die percelen de bestemming gewijzigd. In jaar 11 doet de projectontwikkelaar een verzoek aan de gemeente om te komen tot herontwikkeling van de percelen. In jaar 12 worden de percelen geleverd. In jaar 15 is het omgevingsplan voor het gebied van de percelen gewijzigd, waardoor bebouwing mogelijk is.

Wetingang:

Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 11

[Nieuwsbron]

Rubriek: Omzetbelasting

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 3 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

10

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen