X is enig bestuurder/aandeelhouder van Holding BV, die enig bestuurder/aandeelhouder is van B BV. De BV's zijn opgericht in 2009. In Holding BV is toen het uitzendbureau ingebracht, dat eerst door X als eenmanszaak werd gedreven. Hierbij is een deel als agio geboekt. Vervolgens is de onderneming ingebracht in B BV. Ook hierbij is een deel als agio geboekt. In oktober 2019 besluit de buitengewone vergadering van aandeelhouders van Holding BV om € 116.324 onbelast dividend uit de agioreserve van B BV aan X uit te keren. Na de uitkering wordt ontdekt dat het agio eerst in nominaal kapitaal omgezet had moeten worden. De uitkering is daarom omgezet in een lening en in 2023 is het agio via een notaris omgezet in kapitaal en is tot terugbetaling daarvan besloten. Volgens Rechtbank Den Haag sorteren de herstelacties geen effect en is de navorderingsaanslag over 2019 terecht aan X opgelegd. X gaat in hoger beroep.
Hof Den Haag oordeelt dat de verkapte uitdeling terecht in 2019 als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang is belast. Holding BV heeft de uitkering van B BV namelijk rechtstreeks aan X laten toekomen. Voor zover X heeft beoogd in 2023 (alsnog) de voorwaarden van het onbelaste dividend te vervullen, geldt dat dit zowel in het verkeerde jaar – 2023 in plaats van 2019 – als op het verkeerde niveau – B BV in plaats van Holding BV – is geschied. X beroept zich vergeefs op dwaling, omdat de civielrechtelijke terugwerkende kracht niet geldt voor fiscale doeleinden (zie laatstelijk HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:1, V-N 2020/4.11). Het hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.12
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 228
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Verbintenissenrecht, Inkomstenbelasting
Editie: 3 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag