Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat X geen recht heeft op ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2013. De Hoge Raad beslecht de hoogte van de aanslag definitief en de wrakingsbeslissing bevat geen oordeel over het ondernemerschap van X.

X doet aangifte IB/PVV 2013 met een belastbaar negatief resultaat uit onderneming van € 7244. De inspecteur corrigeert dit bij het opleggen van de aanslag. Na bezwaar, beroep en hoger beroep oordeelt Hof Amsterdam dat de activiteiten van X geen bron van inkomen vormen. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond. Voorafgaand aan het arrest wraakt X de leden van de Hoge Raad; de wrakingskamer wijst dit af. X verzoekt vervolgens om ambtshalve vermindering van de aanslag op grond van de wrakingsbeslissing. De inspecteur wijst het verzoek af en verklaart het bezwaar kennelijk ongegrond zonder hoorzitting. In geschil is of X recht heeft op ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2013 en of de inspecteur het bezwaar terecht kennelijk ongegrond verklaart zonder hoorzitting.

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de inspecteur de aanslag niet te hoog vaststelt. De Hoge Raad beslecht het geschil over het belastbare negatieve resultaat uit onderneming definitief. De wrakingskamer geeft in haar beslissing slechts het standpunt van X weer en spreekt geen oordeel uit over de vraag of X een onderneming drijft. Nu geen recht op ambtshalve vermindering bestaat, verklaart de inspecteur het bezwaar terecht kennelijk ongegrond en mag hij afzien van het horen van X. De inspecteur motiveert de uitspraak op bezwaar voldoende.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Art. 9.6 Wet IB 2001

Art. 45aa Uitv.reg. IB 2001

Instantie: Rechtbank Noord-Holland

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting

Editie: 24 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

7

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen