De Hoge Raad verwerpt de opvatting dat voor de uitleg van het begrip ‘hetzelfde feit’ in art. 255 lid 1 Sv moet worden aangesloten bij het begrip ‘hetzelfde delict’ in art. 50 Handvest wanneer eerder een bestuurlijke boete is opgelegd.

X exploiteert als eenmanszaak een administratiekantoor en voldoet jarenlang geen BTW. Hij betaalt de latere naheffingsaanslagen met verzuimboeten ook niet. Daarnaast wordt hij strafrechtelijk vervolgd wegens het opzettelijk niet voldoen van omzetbelasting op aangifte (art. 69a AWR). De Hoge Raad (4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1364, V-N 2022/46.23) oordeelt eerder dat de verzuimboeten niet zijn opgelegd ter zake van dezelfde feiten als die aan X ten laste zijn gelegd. Na terugwijzing oordeelt Hof ’s-Hertogenbosch dat X heeft nagelaten om op juiste wijze en op de juiste tijdstippen concreet en gespecificeerd uitstel van betaling te vragen. X is strafbaar, maar er wordt hem geen straf of maatregel opgelegd. Art. 69a AWR is namelijk niet bedoeld voor (goedwillende) ondernemers die al dan niet tijdelijk in betalingsproblemen verkeren, waarvan in casu sprake lijkt te zijn. X gaat in cassatie.

De Hoge Raad verwerpt de opvatting dat voor de uitleg van het begrip ‘hetzelfde feit’ in art. 255 lid 1 Sv moet worden aangesloten bij het begrip ‘hetzelfde delict’ in art. 50 Handvest wanneer eerder een bestuurlijke boete is opgelegd. Het 'ne bis in idem'-beginsel beschermt tegen een onevenredige bestraffing en een ongerechtvaardigde cumulatie van procedures. Hoewel dit beginsel zowel een nationaalrechtelijke als een EU-rechtelijke uitwerking kent, betekent dit niet dat de inhoud van het begrip ‘hetzelfde feit’ samenvalt met – en moet worden afgestemd op – de betekenis van het begrip ‘hetzelfde delict’. Art. 50 Handvest EU kent namelijk een eigen beperkingssystematiek via art. 52 Handvest EU. Dat sprake is van ‘hetzelfde delict’, betekent dus niet zonder meer dat een herhaalde berechting of bestraffing van een bepaalde gedraging in strijd is met het Handvest EU. Er is gelet op de jurisprudentie van het HvJ EU (20 maart 2018, C-524/15, Menci, V-N Vandaag 2018/643) geen reden om in casu een prejudiciële vraag te stellen aan dat hof. Voor het overige is het beroep ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO). Ambtshalve wordt geconstateerd dat in cassatie de redelijke termijn is overschreden, Omdat het hof X strafbaar heeft verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel, wordt daaraan geen rechtsgevolg verbonden.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67C

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 69A

Wetboek van Strafrecht artikel 9A

Wetboek van Strafrecht artikel 68

Wetboek van Strafvordering artikel 243

Wetboek van Strafvordering artikel 255

Wet op de rechterlijke organisatie artikel 81

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie artikel 50

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie artikel 52

Rubriek: Strafrecht, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Instantie: Hoge Raad

Editie: 8 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

14

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen