X sluit in 1990 een lijfrenteverzekering tegen eenmalige koopsom. In 2017 expireert de verzekering. X maakt geen tijdige keuze ter zake van het expiratiekapitaal. De verzekeraar renseigneert dat. In 2019 keert de verzekeraar het kapitaal uit. X laat verder in 2019 twee lijfrenteverzekeringen uit 1994 en 1998 ineens uitkeren. De inspecteur belast alle drie de uitkeringen in 2019. In geschil is de aanslag IB/PVV 2019.
Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur de drie uitkeringen van lijfrenteverzekeringen terecht heeft belast en bij twee ervan terecht revisierente in rekening heeft gebracht. X’ stelling dat de verzekeringen in box 3 vallen, is onjuist. X heeft geen feiten gesteld of stukken overgelegd waaruit blijkt dat geen sprake is van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. De uitkering van de eerste verzekering is onderworpen aan belastingheffing in 2019 vanwege de verlenging van de termijn door de inspecteur tot 1 juli 2019. De saldomethode vindt op de drie uitkeringen geen toepassing. Ook zijn de artikelen 1 EP EVRM en 14 EVRM niet geschonden. Ten slotte brengt de inspecteur terecht revisierente in rekening ter zake van de afkoop van de verzekeringen uit 1994 en 1998. X’ hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.133
Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30I
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 14
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 6 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag