Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat door X verstrekte hypothecaire geldleningen als overige bezittingen en niet als banktegoeden kwalificeren bij toepassing van de Wet rechtsherstel box 3.

X doet aangifte IB/PVV 2021 met € 1.534.313 aan bezittingen, bestaande uit € 336.552 aan banksaldi, € 707.938 aan beleggingen, € 362.823 aan drie vorderingen en € 127.000 aan een tweede woning. Twee vorderingen betreffen hypothecaire geldleningen aan kinderen van X, één betreft een voormalig familielid. Het rentepercentage bedraagt 2,5% per jaar. De inspecteur stelt de aanslag vast met een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 65.903, met toepassing van rechtsherstel op grond van de Wet rechtsherstel box 3, waarbij de vorderingen als overige bezittingen gelden. In geschil is of de vorderingen als banktegoeden of als overige bezittingen kwalificeren bij toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 en of nader rechtsherstel geboden is.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de vorderingen geen deposito vormen als bedoeld in artikel 1:1 Wft en daarom als overige bezittingen kwalificeren. De wetgever sluit voor de afbakening van banktegoeden bewust aan bij de Wft-definitie van deposito. Een teleologische lezing leidt niet tot een ander oordeel. Het hof verwerpt het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat het risicoprofiel en de onderhandelingsruimte bij vorderingen wezenlijk afwijken van banktegoeden. Het subsidiaire beroep op nader rechtsherstel faalt eveneens, omdat X geen inzicht verschaft in de waardeontwikkeling van haar beleggingsportefeuille en daarmee niet aannemelijk maakt dat de heffing het werkelijke rendement overstijgt.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.3

Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 6 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

Dossiers: Box 3

42

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen