Via een novelle op het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement (WWR) worden vanaf 2028 alle financiële instrumenten, waaronder aandelen, obligaties en opties, onder een vermogenswinstbelasting gebracht. Daarmee valt circa 90% van het vermogen met waardeontwikkeling in box 3 onder een vermogenswinstbelasting. Voor de overige vermogensbestanddelen blijft 2030 het beoogde invoeringsmoment van een volledige vermogenswinstbelasting.
Volgens de staatssecretaris is 2030 nog steeds het vroegst haalbare moment voor een volledig vermogenswinststelsel dat voldoet aan de eisen van uitvoerbaarheid, controleerbaarheid en handhaafbaarheid. De gekozen route via een novelle vergt volgens hem wel een ambitieus wetgevingstraject.
Intrekking van de Wet werkelijk rendement is kostbaar. Als het huidige forfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling tot en met 2029 wordt voortgezet en pas in 2030 wordt overgestapt op een volledige vermogenswinstbelasting, loopt de cumulatieve budgettaire derving tot en met 2035 op tot circa € 19,7 mld.
Uitstel van de Wet werkelijk rendement leidt in 2028 tot een derving van naar schatting € 4 mld.: € 3 mld. door een extra jaar tegenbewijsregeling en € 1 mld. door het verschuiven van de opbrengsten van de Wet werkelijk rendement.
Het kabinet verwacht dat vooral beleggers met rendementen boven het forfaitaire rendement profiteren van uitstel van de Wet werkelijk rendement. Voor spaarders en beleggers met een lager rendement pakt invoering van de WWR doorgaans juist gunstiger uit. Eventuele budgettaire derving als gevolg van uitstel moet volgens de staatssecretaris, conform de begrotingsregels en een eerder aangenomen Kamermotie (V-N 2026/12.3), volledig worden gedekt binnen het vermogensdomein. De novelle moet vóór 31 december 2026 door de Eerste Kamer zijn aangenomen.
[Nieuwsbron] [Nieuwsbron] [Nieuwsbron] [Nieuwsbron]
Rubriek: Inkomstenbelasting
Regelgevende instantie: Ministerie van Financiën
Editie: 6 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag
Dossiers: Box 3