De Kennisgroep omzetbelasting heeft verduidelijkt dat een universiteit die zonder winstoogmerk een sportcentrum exploiteert, de BTW-sportvrijstelling kan toepassen op het tegen vergoeding verlenen van het recht om te sporten. Dat geldt ook wanneer de sportactiviteiten geen nauw verband houden met het vrijgestelde onderwijs van de instelling.

In de voorgelegde situatie kunnen studenten, medewerkers en derden tegen betaling gebruikmaken van de sportfaciliteiten van de universiteit. Volgens de kennisgroep vormt het verlenen van het recht om te sporten de kenmerkende activiteit waarop de sportvrijstelling van art. 11 lid 1 onderdeel e Wet OB 1968 ziet. Dat de universiteit daarmee concurreert met commerciële sportscholen doet volgens de Kennisgroep niet af aan de toepassing van de vrijstelling. Anders ligt dat voor het tegen vergoeding ter beschikking stellen van sportattributen, zoals tennisrackets. Die prestaties vallen niet onder de sportvrijstelling. Volgens de Kennisgroep verschaffen dergelijke diensten de instelling extra opbrengsten en worden zij verricht in rechtstreekse mededinging met commerciële ondernemingen. Op grond van art. 11 lid 2 Wet OB 1968 zijn dergelijke nauw samenhangende prestaties daarom van de vrijstelling uitgesloten.

De Kennisgroep verwijst daarbij onder meer naar het arrest Bridport and West Dorset Golf Club van het Hof van Justitie (V-N 2014/6.10), waaruit volgt dat concurrentie met commerciële aanbieders inherent kan zijn aan de sportvrijstelling en op zichzelf geen reden vormt om de vrijstelling te weigeren.

Wetingang:

Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 11

Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 11

[Nieuwsbron]

Rubriek: Omzetbelasting

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 6 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

9

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen