Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de nabetaling van de WW-uitkering terecht in 2020 tot het inkomen van X is gerekend. De nabetaling betreft namelijk een periodieke uitkering die door X in 2020 is ontvangen en ook in dat jaar is genoten.

X geniet tot het overlijden van haar moeder in 2017 PGB-inkomsten in verband met aan moeder verleende zorg. Na het overlijden van moeder vraagt X een WW-uitkering aan. Deze wordt afgewezen. Naar aanleiding van de procedure die X start, keert het Uwv in 2020 een WW-uitkering van € 57.500 uit over de periode 2017-2019. X is van mening dat de inspecteur de WW-uitkering ten onrechte meeneemt in de IB-aanslag 2020. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur de nabetaling van de WW-uitkering terecht tot het inkomen van X in 2020 heeft gerekend.

Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de nabetaling van de WW-uitkering terecht in 2020 tot het inkomen van X is gerekend. De nabetaling betreft een periodieke uitkering die door X in 2020 is ontvangen en ook in dat jaar is genoten. Dat X achteraf gezien in de jaren 2017 - 2019 recht had op de WW-uitkering maakt nog niet dat deze in die jaren ‘vorderbaar en inbaar’ was als bedoeld in art. 3.146 Wet IB 2001. Dat het besluit over de verzekeringsplicht voor de werknemersverzekering van oorsprong onrechtmatig tot stand is gekomen maakt ook niet dat de IB-aanslag 2020 onjuist of onrechtmatig is vastgesteld. Met betrekking tot het verzoek van X om toekenning van schadevergoeding omdat zij schade heeft geleden door de gevolgen van het oorspronkelijke besluit over de werknemersverzekeringen merkt het hof op dat X zich moet wenden tot de civiele rechter.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Art. 3.146 Wet IB 2001

Instantie: Hof 's-Hertogenbosch

Rubriek: Inkomstenbelasting, Sociale zekerheid bijstand

Editie: 24 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

4

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen