Rechtbank Den Haag oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat sprake is van dwaling bij het sluiten van een vaststellingsovereenkomst over de staking van haar onderneming. De inspecteur neemt terecht een vrijval van de FOR in aanmerking en weigert kostenaftrek.

X drijft tot ultimo 2019 een eenmanszaak. Naar aanleiding van een beroepsprocedure over de aanslag IB/PVV 2016 stuurt de inspecteur een compromisvoorstel: staking van de onderneming per ultimo 2019 en vrijval van de FOR van € 27.181 in 2019. X stemt op 31 maart 2020 in met het voorstel en trekt het beroep in. X doet vervolgens aangifte IB/PVV 2019 zonder vrijval van de FOR en voert in de aangiften 2020 en 2021 bedrijfskosten van de eenmanszaak op. De inspecteur legt navorderingsaanslagen op voor 2019 en 2020 en stelt de aanslag 2021 vast conform het compromis.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat met de op 31 maart 2020 bereikte overeenstemming een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW tot stand komt. X stelt onvoldoende feiten waaruit volgt dat zij de reikwijdte van de afspraak niet kan overzien en maakt niet aannemelijk dat sprake is van dwaling in de zin van artikel 6:228 BW. De inspecteur maakt aannemelijk dat X te kwader trouw heeft gehandeld, zodat navordering mogelijk is voor de jaren 2019 en 2020. Uitgaande van de overeenkomst neemt de inspecteur terecht een vrijval van de FOR in 2019 in aanmerking en weigert hij terecht de kostenaftrek voor 2020 en 2021. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:


Art. 6:228 BW

Art. 7:900 BW

Art. 3.70 lid 1 sub b Wet IB 2001

Art. 3.70 lid 2 Wet IB 2001

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting, Verbintenissenrecht

Editie: 24 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

5

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen