Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X BV recht heeft op een immateriëleschadevergoeding van € 1500 wegens overschrijding van de redelijke termijn en kent een forfaitaire proceskostenvergoeding toe.

De inspecteur ontvangt op 20 oktober 2021 het bezwaarschrift van X BV tegen de navorderingsaanslag VPB 2015 en de aanslag VPB 2018. Op 18 juli 2024 doet de inspecteur uitspraak op bezwaar. X BV stelt beroep in. In zijn verweerschrift van 28 februari 2025 geeft de inspecteur aan dat hij de navorderingsaanslag VPB 2015 vermindert en dat voor 2018 geen fiscaal belang resteert. Op 21 maart 2025 trekt X BV de beroepen in en verzoekt om immateriëleschadevergoeding, een integrale proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierecht. In geschil is of X BV recht heeft op een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en op een integrale proceskostenvergoeding.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de procedure afgerond drie jaar en vijf maanden duurt, wat de redelijke termijn van twee jaar met afgerond een jaar en vijf maanden overschrijdt. Die overschrijding valt geheel in de bezwaarfase, waardoor de immateriëleschadevergoeding van € 1500 voor rekening van de inspecteur komt. De rechtbank kent een forfaitaire proceskostenvergoeding van € 934 toe en ziet geen aanleiding voor een integrale kostenvergoeding.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75A

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 1 september

Informatiesoort: VN Vandaag

11

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen