De Kennisgroep Inkomstenbelasting niet-winst verduidelijkt hoe een teruggestorte lijfrentepremie moet worden behandeld in box 3 wanneer een lijfrenteverzekering of bancaire lijfrente binnen de wettelijke bedenktijd wordt opgezegd of ontbonden.

In dat geval wordt op grond van goedkeurend beleid de premiestorting geacht nooit te hebben plaatsgevonden. Wanneer de premie vóór de peildatum van box 3 is betaald en pas ná de peildatum wordt teruggestort, moet het teruggestorte bedrag toch in de rendementsgrondslag worden opgenomen. Dit geldt zowel onder de Wet rechtsherstel box 3 als onder het huidige box 3-regime vanaf  2023, aldus het standpunt van de kennisgroep (11 augustus 2026, KG:202:2026:11).

Belang voor de praktijk

Voor adviseurs is van belang dat een teruggestorte lijfrentepremie na opzegging of ontbinding van de overeenkomst niet leidt tot een lagere box 3-grondslag op de peildatum. De Belastingdienst corrigeert dit door het terug te ontvangen bedrag alsnog als overige bezitting in aanmerking te nemen.

Voorbeeld 
Een belastingplichtige opent op 30 december 2026 een lijfrenterekening en stort € 10.000. Op 1 januari 2027 zou dit bedrag normaal gesproken niet meer tot zijn box 3-vermogen behoren, omdat het in een lijfrenteproduct zit. Begin januari 2027 maakt hij echter gebruik van de contractuele bedenktijd en ontbindt hij de overeenkomst. De bank stort de inleg vervolgens terug. Fiscale gevolgen van deze handeling:

  • Op grond van het goedkeurend beleid wordt de premiestorting geacht niet te hebben plaatsgevonden.
  • De belastingplichtige mag niet profiteren van een lagere box 3 grondslag op de peildatum.
  • Het terug te ontvangen bedrag wordt alsnog in box 3 in aanmerking genomen als overige bezitting.

Let op! Dit standpunt ziet uitsluitend op de opzegging of ontbinding van een lijfrenteovereenkomst binnen de bedenktijd. Het betreft dus niet de situatie van een fiscaal geruisloze terugstorting van een foutieve of te hoge premie/inleg. De eerdere mogelijkheid voor dergelijke fiscaal geruisloze terugstortingen is per 31 maart 2026 vervallen.

Dat is een ongelukkige situatie. Juist in de praktijk doen zich situaties voor waarin een premie of inleg aantoonbaar bij vergissing, te hoog of ten onrechte is betaald. Zonder mogelijkheid tot fiscaal geruisloze correctie kan een relatief eenvoudige fout leiden tot onevenredig zware fiscale gevolgen, zoals belastingheffing en revisierente. Dat wringt vooral wanneer geen sprake is van fiscaal misbruik, maar van een herstelbare vergissing. Het vervallen van de fiscaal geruisloze terugstortingsmogelijkheid laat daardoor weinig ruimte voor maatwerk in schrijnende gevallen. Een regeling die bedoeld is om de fiscale begrenzing van lijfrenten te bewaken, zou niet moeten uitwerken als een disproportionele sanctie voor burgers die te goeder trouw hebben gehandeld.

Het verdient daarom aanbeveling dat de wetgever of beleidsmakers opnieuw voorzien in een beperkte, goed afgebakende mogelijkheid tot fiscaal geruisloze terugstorting. Daarbij kan worden gedacht aan een herstelmogelijkheid binnen een redelijke termijn, met duidelijke voorwaarden en waarborgen tegen misbruik. Zo wordt voorkomen dat belastingplichtigen worden geconfronteerd met fiscale gevolgen die niet in verhouding staan tot de gemaakte fout. 

Bron: Legal & Tax Nationale Nederlanden

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Inkomstenbelasting

44

Gerelateerde artikelen