De kennisgroep concludeert dat het teruggestorte bedrag bij wijze van fictie alsnog in de rendementsgrondslag van box 3 moet worden opgenomen. Daarbij kwalificeert het bedrag niet als banktegoed, maar als overige bezitting. Dat geldt zowel onder de Wet rechtsherstel box 3 als onder de box 3-regels vanaf 1 januari 2023.
In het standpunt wordt benadrukt dat het terugontvangen bedrag ook behaalde positieve of negatieve rendementen kan omvatten, waardoor het niet noodzakelijk gelijk is aan de oorspronkelijke premiebetaling.
Aanleiding vormt de invoering van het rechtsherstel en de overbruggingswetgeving voor box 3. Bij opzegging van een lijfrenteproduct wordt op grond van goedkeurend beleid de oorspronkelijke premiestorting geacht niet te hebben plaatsgevonden. Wanneer de premie vóór de peildatum van box 3 is betaald en het bedrag pas na die peildatum wordt terugontvangen, zou de rendementsgrondslag anders onbedoeld worden verlaagd.
Tevens is het standpunt KG:202:2024:8 (V-N 2024/18.22.3), dat ziet op de geruisloze terugstorting van te veel betaalde premies voor een lijfrente in box 3, ingetrokken in verband met het vervallen van onderdeel 2.5 van het Verzamelbesluit lijfrenten en overige periodieke uitkeringen. Het nieuwe standpunt komt tot dezelfde uitkomst als het ingetrokken standpunt.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.2
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.3
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.124
Rubriek: Inkomstenbelasting
Regelgevende instantie: Belastingdienst
Editie: 12 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag