X woont in Duitsland en is in Nederland buitenlands belastingplichtig. In 2022 koopt X zijn Nederlandse lijfrentepolis af, waarna hij de waarde van de afkoopsom direct na ontvangst in een Duitse lijfrentepolis inbrengt. Bij het opleggen van de NiNbi-beschikking wijkt de inspecteur af van de door X gedane opgaaf wereldinkomen. Volgens de inspecteur moet de afkoopsom namelijk tot het wereldinkomen worden gerekend.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur de afkoopsom van de lijfrentepolis terecht tot het NiNbi heeft gerekend. Omdat de lijfrente in strijd met de formele voorwaarden is afgekocht, zou de afkoopsom namelijk tot het verzamelinkomen van X hebben behoord als hij binnenlands belastingplichtige zou zijn geweest. De directe inbreng in een nieuwe Duitse lijfrentepolis verandert dit niet, omdat geen bepaling in de Wet IB 2001 de uitkering in dat geval van belastbaarheid uitzondert. Omdat X geen onderliggende stukken van het overleg met de medewerker van de Belastingdienst overlegt en verder ook niet concretiseert wat hem specifiek zou zijn toegezegd, wordt zijn beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen.
Wetingang:
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 8A
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Toeslagen en zorgverzekeringswet, Inkomstenbelasting
Editie: 12 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag