X en erflater zijn gehuwd onder algehele uitsluiting. In 2005 benoemt erflater X tot zijn enige erfgename en in dat jaar zijn zij aanvullende huwelijkse voorwaarden aangegaan. Deze houden in dat bij ontbinding door overlijden verrekening zal plaatsvinden als waren zij gehuwd in algehele gemeenschap. Erflater overlijdt in 2010. De aanslag erfbelasting is in 2012 conform de aangifte opgelegd. In 2020 blijkt dat X vóór het overlijden van erflater op eigen naam verzwegen bankrekeningen en een verzekeringspolis aanhield in België. In 2022 legt de inspecteur een navorderingsaanslag erfbelasting op, alsmede de 25% vergrijpboete. Volgens Rechtbank Noord-Holland heeft de inspecteur voldoende voortvarend gehandeld. X gaat in hoger beroep.
Hof Amsterdam oordeelt dat niet is voldaan aan de voortvarendheidseis. De IB-inspecteur en de SW-inspecteur moeten worden aangemerkt als één bestuursorgaan. De voor de beoordeling van de voortvarendheideis in aanmerking te nemen periode begint in beginsel bij de ontvangst door de Belastingdienst van de gegevens uit België die aanleiding geven tot nader onderzoek naar buitenlands vermogen. Uitgaande van deze opvatting heeft de inspecteur langer dan zes maanden onverklaarbaar stilgezeten. Het beroep van X is gegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67E
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Schenk- en erfbelasting
Editie: 28 september
Informatiesoort: VN Vandaag