X heeft een buitenlandse nationaliteit en heeft nooit in Nederland gewoond. Hij koopt in 2013 en 2014 twee onroerende zaken met monumentenstatus in Nederland. Na de aankoop is bij de aanvraag van een BSN-nummer een adres in Zwitserland doorgegeven als woonadres. X verhuist in 2016 naar Jersey. Eind 2023 is door zijn belastingadviseur aangifte IB over 2018 gedaan naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 305.148. De grondslag sparen en beleggen bestaat alleen uit de onroerende zaken. De ingediende aangifte wijkt af van wat X en zijn adviseur waren overeengekomen. Er zou namelijk monumentenaftrek worden geclaimd, waardoor het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen nihil zou zijn. In geschil is of het bezwaar tegen de aanslag d.d. 1 februari 2024, die conform aangifte is opgelegd en waarbij € 17.891 aan belastingrente in rekening is gebracht, terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de termijnoverschrijding van het bezwaar verschoonbaar is, omdat het adres in Zwitserland slechts eenmalig is doorgegeven bij de aanvraag van het BSN-nummer en X daarna nooit post van de Belastingdienst in Zwitserland heeft ontvangen. X was zich er dus niet van bewust dat de aanslag naar Zwitserland zou worden gestuurd. Bovendien is het bezwaar zo spoedig mogelijk alsnog ingediend toen X bekend werd met de aanslag. In juni 2024 belde hij namelijk met de Belastingdienst met de vraag waarom hij nog geen aanslag had ontvangen. Hij kreeg toen te horen dat deze naar Zwitserland was gestuurd. Vervolgens heeft X direct zijn belastingadviseur gecontacteerd en is bezwaar gemaakt. Inhoudelijk is niet in geschil dat de aanslag buiten de aanslagtermijn is opgelegd, zodat de aanslag alsnog wordt vernietigd.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 11
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 12 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag