Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat X BV aan huurders van vaste ligplaatsen in haar jachthaven gelegenheid biedt tot het houden van verblijf tegen vergoeding, zodat sprake is van een belastbaar feit voor de watertoeristenbelasting.

X BV exploiteert een jachthaven en brengt vergoedingen in rekening voor het gebruik van een passantenkade en de verhuur van vaste ligplaatsen. De heffingsambtenaar legt X BV voor het jaar 2023 een aanslag watertoeristenbelasting op van € 8279,31, bestaande uit € 2015,56 voor werkelijke verblijven per vaartuig en € 6263,75 forfaitair voor vaste ligplaatsen. Na bezwaar vermindert de heffingsambtenaar de aanslag met € 393,75 naar € 7885,56. In geschil is of X BV watertoeristenbelasting verschuldigd is ten aanzien van het gebruik van een passantenkade en de verhuur van vaste ligplaatsen.

Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat X BV aan huurders van vaste ligplaatsen gelegenheid biedt tot het houden van verblijf tegen vergoeding in de zin van art. 2 Verordening op de heffing en invordering van watertoeristenbelasting 2020. Op basis van het arrest van de Hoge Raad van 21 juli 1987 kwalificeert het gebruik dat vaste ligplaatshouders van hun vaartuig doorgaans maken als het houden van verblijf. De reis naar het vaartuig en het daarmee gepaard gaande verblijf heeft een voldoende eigen zelfstandige betekenis. De huur vormt de vergoeding voor de geboden gelegenheid tot verblijf. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden niet geschonden. X' beroep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Gemeentewet artikel 224

Instantie: Rechtbank Noord-Nederland

Rubriek: Belastingen van lagere overheden

Editie: 1 september

Informatiesoort: VN Vandaag

11

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen