Het standpunt is ingenomen naar aanleiding van de volgende casus: X is enig bestuurder en aandeelhouder van een BV en heeft een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij deze holding-BV. De holding-BV houdt 6% van de aandelen in een werk-BV. De werk-BV sluit een reële overeenkomst van opdracht met de holding-BV. Op basis van die overeenkomst van opdracht verricht X werkzaamheden voor de werk-BV. De relatie tussen X en de werk-BV kwalificeert niet als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Partijen willen de doorbetaaldloonregeling toepassen zodat X uitsluitend door de holding-BV wordt verloond. De doorbetaaldloonregeling kan niet worden toegepast omdat een (fictieve) dienstbetrekking ontbreekt tussen de dga en de werk-BV.
De gebruikelijkloonregeling geldt alleen op het niveau van de holding-BV. Het standpunt KG:204:2022:21 wordt hierbij ingetrokken.
Wetingang:
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 4
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 12A
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 32D
Rubriek: Loonbelasting
Regelgevende instantie: Belastingdienst
Editie: 20 juli
Informatiesoort: VN Vandaag