Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat is voldaan is aan de voorwaarde dat de BV op het moment van de schenking een materiële onderneming drijft.

X ontvangt in 2020 een schenking van zijn vader, bestaande uit alle aandelen in een BV. Tot het vermogen van de vennootschap behoren een aantal in Nederland gelegen onroerende zaken. De BV is in 2000 opgericht en de ingebrachte onderneming – een kamerverhuurbedrijf – werd door zijn vader eerst als een eenmanszaak gedreven. In geschil is of X zich voor de schenkbelasting terecht beroept op de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) van art. 35b SW 1956.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat is voldaan is aan de voorwaarde dat de BV op het moment van de schenking een materiële onderneming drijft. De BOR kan dus niet worden toegepast. X beroept zich vergeefs op onderdeel 5 van de interne Praktijkhandreiking bedrijfsopvolging vastgoedexploitanten van 1 juni 2016 van de Belastingdienst. Uit de handreiking volgt weliswaar dat een geruisloze inbreng van een vastgoedonderneming impliceert dat op dat moment sprake was van een actieve onderneming, maar uit de gedingstukken is niet op te maken wat destijds de activiteiten waren en of deze sindsdien ongewijzigd zijn gebleven. Het beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het beroep van X is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Successiewet 1956 artikel 35B

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Schenk- en erfbelasting

Editie: 20 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

9

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen