X maakt bezwaar tegen een WOZ-beschikking en verzoekt daarbij op grond van art. 40 lid 2 Wet WOZ om verstrekking van de gegevens die aan de vastgestelde WOZ-waarde ten grondslag liggen. In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of art. 40 lid 2 Wet WOZ is geschonden. Hof Arnhem-Leeuwarden laat dit in het midden. Veronderstellenderwijs uitgaande van een schending oordeelt het hof dat X daardoor niet is benadeeld, omdat hij ook zonder die schending beroep zou hebben ingesteld. Het hof passeert een eventueel gebrek met toepassing van art. 6:22 Awb en ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van griffierecht.
De Hoge Raad oordeelt dat ook wanneer een schending van art. 40 lid 2 Wet WOZ met toepassing van art. 6:22 Awb kan worden gepasseerd omdat X door die schending niet is benadeeld, en het bestreden besluit in stand blijft, bestaat in de regel recht op vergoeding van griffierecht en op toekenning van een proceskostenvergoeding. Bij toepassing van art. 6:22 Awb kan de rechter alleen bij aanwezigheid van bijzondere omstandigheden afzien van het toekennen van een vergoeding van griffierecht en een proceskostenvergoeding. De rechter moet in zo’n geval motiveren waarom hij daarvan afziet De Hoge Raad verwijst naar HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, r.o. 4.4.2, V-N 2025/6.24 en HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1823, r.o. 2.3, V-N 2025/57.18. De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak en verwijst de zaak naar Hof ’s-Hertogenbosch die moet beoordelen of art. 40 lid 2 Wet WOZ is geschonden.
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 40
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.22
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 20 juli
Informatiesoort: VN Vandaag